Internationale FJ klasse

Ronden van boeien.

Tijdens een wedstrijd komt het vaak op kleine dingen aan, iets sneller overstag, betere gijp, vlagen iets beter opvangen, net iets beter op golven sturen. Wat vaak vergeten wordt is het ronden van een boei. Het overzeilen van een bovenboei bijvoorbeeld kost minstens zoveel. Maar ook de manier waarop je een boei rondt is erg belangrijk. En dat is waar het hier onder over gaat.

Sturen

Om te beginnen is het sturen van een boot meer dan alleen aan het roer trekken. De zeilen en de gewichtsverdeling zijn hier bepalend.
Oploeven doe je heel simpel door de boot naar lij te laten hellen en het roer te laten volgen. Hoe komt dit?

Door de boot te laten hellen verschuiven de twee belangrijke punten, het zeilpunt en het lateraalpunt, ten opzichte van elkaar (zie tekening 1) en dit levert een koppel op. Hierdoor gaat de boot draaien om het zwaard.

Als je de boot naar loef laat hellen dan valt de boot natuurlijk af. Bij het afvallen moet je natuurlijk wel het zeil laten volgen (vieren). Waait het hard dan moet je om dit effect te krijgen van tevoren je zeil al iets laten vieren. Het roer volgt alleen. Gebruik je je roer wel dan remt dit de boot.

Als je dit gelezen hebt is het misschien iets duidelijker waarom je de boot echt vlak moet varen. Je moet je roer in principe los kunnen laten.

Terug naar de boeien.

Bij de bovenboei aangekomen is het belangrijk dat je hem hoog aan de wind net kunt halen (zie tekening 2). Aan de wind ga je langzamer dan ruime wind dus als je de bovenboei twee meter overzeild dan kost je dat ongeveer zes meter in het ruime rak (zie tekening 3).

Ben je dan bij die bovenboei dan probeer je, als daar ruimte voor is, de neerhaler te vieren. De neerhaler is belangrijk omdat dit het afvallen vergemakkelijkt. Het afvallen doe je zoals hiervoor is omschreven. Het is nu niet zaak om zo snel mogelijk die boei te ronden maar met zo veel mogelijk snelheid. Dus afvallen doe je dan door eerst je grootzeil iets te vieren en de boot naar loef te trekken. Blijf zo lang mogelijk in de trapeze of hangen.

De meest gemaakte fout is toch wel te vroeg uit de trapeze naar binnen gaan, je moet dit dan corrigeren met je roer en je maakt het je zelf op golven moeilijker. Misschien moet je in het begin een beetje lef kweken, soms gebeurt het dat je te lang blijft staan en dan ga je naar loef om. Dit moet je een keer gebeuren tijdens het trainen anders weet je niet hoever je kunt gaan.

Midden in het ruime rak kom je de gijpboei tegen. Hier waait het voor je gevoel altijd harder omdat je snelheid tijdens de gijp iets afneemt en de druk in het zeil iets toe.

Bij een gijpboei is het belangrijk om als binnenste boot na de gijp over te blijven. Dit houdt in dat je hem ruim aanvaart en scherp onderlangs gaat. De ideale lijn zie je in tekening 4.

De gijp zelf is iets wat je vaak moet oefenen. Belangrijk is dat je in het begin een klein stukje voor de wind inbouwt. Dit voor de windse stukje (zie tekening 3 punt B) is er voor om jezelf tijd te geven om naar de andere kant te kunnen lopen.

Het gijpen kun je op twee manieren doen, door een S-gijp of door een rolgijp uit te voeren.

De rolgijp heeft de voorkeur omdat je daar toch weer snelheidswinst uit haalt.


De rolgijp.

Voor de gijp val je net als bij de bovenboei af maar dan tot voor de wind. Je trekt de boot nog iets verder naar loef en de boot krijgt hierdoor een redelijke snelheid en vermindert de druk. Je kunt nu ook naar de nieuwe loefzijde lopen/ kruipen terwijl je het grootzeil overzet naar de nieuwe kant. Dit overtrekken doe je door alle parten van de grootschoot te pakken en dan in een ruk overzetten. Als de giek door het midden is dan trek je de boot lichtjes naar loef. Bij veel wind ontkom je er niet aan om bij deze laatste handeling je roer te gebruiken. Tot slot haak je in en stapt terwijl je je grootschoot aanhaalt naar buiten. Je merkt al op dat ik niets zeg over oploeven of roer gebruik. Dit gebeurt namelijk vanzelf.

Aan het einde van het ruime rak is daar de benedenboei. Het is hier belangrijk dat je de boei aan de wind passeert. Dit houdt dus in dat je niet naast de boei begint op te loeven maar iets er vandaan (zie tekening 5). Je loeft weer op door de boot te laten hellen.

Zoals je kunt lezen en waarschijnlijk ook zult begrijpen moet je je boot varen zonder te veel roeruitslag. De rolltack sluit hier natuurlijk bij aan.

Wat ik hiervoor beschreven heb kun je allemaal op een zomeravond trainen want overal licht wel een boeitje in het water en anders neem je er zelf een mee. Let wel, niemand heeft ooit een wedstrijd gewonnen door voor de buis te zitten en te zappen. Dus als je wilt vaar dan en doe dit enigszins doelgericht. Neem een onderwerp en ga daar goed mee bezig. Wil je overstagjes trainen dan moet je dat gewoon een uur vol houden, ondanks dat het bijvoorbeeld windkracht 5 is en je dan lekker halve wind kunt speren. Dit kun je erna ook nog wel, als je moe bent.

 Train ze,

 Bernard Stienstra